Workshop
Met deze exclusieve workshop leer je snel de basis van digitale fotografie.
Zonder moeilijke vaktermen en ingewikkelde theorie leer je vanuit de praktijk betere foto´s maken.
We beginnen zaterdagmorgen om 10.00 uur bij Bagels & Beans in Enschede.
Je camera-instellingen worden uitgelegd en aangepast, zodat je handmatig, in de M-stand, kunt fotograferen.
Daarmee leer je wat een diafragma, sluitertijd en ISO in de praktijk doen.
Nadat we de instellingen van je camera hebben behandeld, gaan we op pad.
We lopen door de binnenstad van Enschede om verschillende onderwerpen te fotograferen, zoals architectuur-, landschaps- en portretfotografie.
Tijdens de workshop komen onder andere de volgende onderdelen aan bod:
- Diafragma, sluitertijd en ISO
- Fotograferen in de praktijk
- Wanneer welke instelling gebruiken
- Werken met compositie
Tegen 12.00 uur pauzeren we om aansluitend verder te gaan met foto´s maken.
Aan het eind van de workshop, rond 13.30 uur, bespreken we de gemaakte foto´s.
Je kan kiezen uit de volgende data
- Geen data voor 2026
Aantal deelnemers: 1, maximaal 2
Niveau: Basis
Studieduur: 4 uur
Tijdstip: 10.00 - 14.00 uur
Tarief: € 75,- p.p.
Vertrekpunt: Bagels & Beans
Bij aanmelding je naam, datum, cameramerk en type vermelden.
Je dient het tarief contant te voldoen voor aanvang van de workshop.
Als voorbereiding op de workshop lees je de basis van digitale fotografie en maak je een paar opdrachten.
Maak er geen studie van. De verschillende onderdelen behandelen we tijdens de workshop.
De sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde bepalen de belichting van je foto. Met de sluitertijd bepaal je hoe lang het licht op de beeldsensor valt.
Met het diafragma bepaal je hoeveel licht op de beeldsensor komt. De ISO-waarde bepaalt de lichtgevoeligheid van de beeldsensor.
Elke digitale camera heeft meerdere knoppen en een menu om instellingen te veranderen.
De belangrijkste instellingen verander je met knoppen en draaiknoppen op de camera.
Lees deze onderdelen voor de workshop.
Deze onderdelen behandelen we niet tijdens de workshop.
Standknop
Lees dit onderdeel
Nikon noemt het een standknop en Canon een programmakeuzewiel.
Met deze draaiknop kies je de opnamestand. Daarmee stel je in hoe jij de camera gaat gebruiken.
Auto
De camera bepaalt de sluitertijd, het diafragma, ISO en het gebruik van de interne flitser.
De camera is zo geprogrammeerd dat een foto gemiddeld goed belicht wordt. De ingebouwde flitser kan automatisch ingeschakeld worden door de camera.
Nikon-camera´s gebruiken het groene woord AUTO. Canon-camera´s gebruiken de groene letter A+.
P
In de programmastand kun je de ISO-waarde aanpassen. De camera kiest automatisch de sluitertijd en het diafragma.
De sluitertijd of het diafragma kun je niet onafhankelijk van elkaar instellen.
In deze stand zal de camera de ingebouwde flitser niet automatisch inschakelen.
S / Tv
Jij kiest de sluitertijd en de camera bepaalt het diafragma.
Wanneer er weinig licht is, selecteer dan een langere sluitertijd.
Wanneer er veel licht is, of omdat je een snel bewegend onderwerp wilt fotograferen, selecteer dan een korte sluitertijd.
Nikon-camera´s gebruiken de letter S wat staat voor Shutter. Canon-camera´s gebruiken de letters Tv wat staat voor Time value.
A / Av
Jij kiest het diafragma en de camera bepaalt de sluitertijd. Je gebruikt deze instelling wanneer je een grote of kleine scherptediepte wilt gebruiken.
Nikon-camera´s gebruiken de letter A, wat staat voor Aperture (diafragma).
Canon-camera´s gebruiken de letter Av, wat staat voor Aperture value (diafragma-waarde).
M
In de manuele stand krijg je de volledige controle over sluitertijd, diafragma en ISO. Je stelt handmatig de sluitertijd, diafragma en ISO-waarde in.
Bulb
De meeste moderne camera´s bezitten de mogelijkheid om een sluitertijd van 30 seconden in te stellen.
Bij een langere sluitertijd gebruik je de Bulb-stand.
Je gebruikt de Bulb-stand in combinatie met een afstandsbediening en een statief om ongewenste bewegingen te voorkomen.
Er zijn camera´s met meer instelmogelijkheden op de standknop / programmakeuzewiel.
Het zijn vaak voorgeprogrammeerde of programmeerbare instellingen van standen zoals hierboven omschreven.
De knoppen, symbolen en benamingen verschillen per merk en type camera.
Opdracht
1. Zet de standknop op je camera in de M-stand.

Sluiterknop
Lees dit onderdeel
Druk de sluiterknop in voor de automatische scherpstelling.
Als je een rood autofocuspunt in de zoeker of op het LCD-scherm ziet, dan heeft de camera scherpgesteld.
Indien nodig maak je met de sluiterknop half ingedrukt een kleine aanpassing in de compositie. De afstand tot het onderwerp moet hetzelfde blijven.
Vervolgens druk je de sluiterknop helemaal in. De foto is gemaakt.
Opdracht
1. Maak een foto. Als de foto te licht of te donker is, pas je via het instelwiel de sluitertijd aan.

Compensatieknop
Lees dit onderdeel
In de automatische of halfautomatische stand, zoals programma (P), diafragmavoorkeuze (A / Av) en sluitervoorkeuze (S / Tv),
kun je de belichting aanpassen met behulp van belichtingscompensatie.
Door de belichtingscompensatieknop ingedrukt te houden en aan het instelwiel te draaien, corrigeer je een belichting.
Corrigeer je richting de plus, dan wordt de foto lichter. Corrigeer je richting de min, dan wordt de foto donkerder.
In de M-stand gebruik je het instelwiel om de sluitertijd te veranderen.
In de M-stand verander je het diafragma door de belichtingscompensatieknop ingedrukt te houden en aan het instelwiel te draaien.
Opdracht
1. Zet de standknop op je camera nu in de A / Av stand.
Maak een foto. Corrigeer de belichting met de belichtingscompensatieknop en het instelwiel.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Diafragma
Lees dit onderdeel
Het diafragma is een verstelbare opening in de lens. Het is opgebouwd uit meerdere lamellen die kunnen verschuiven.
De diafragma-opening kan groter en kleiner worden gemaakt. Hiermee bepaal je de scherptediepte en de hoeveelheid licht op de beeldsensor.
Het is gebruikelijk om een diafragmagetal op te schrijven als f, wat staat voor brandpuntsafstand,
gevolgd door een / (schuine streep) en een getal, bijvoorbeeld f/5.6. In de praktijk spreken we alleen het getal uit.
Diafragma reeks
f/1.4 - f/2 - f/2.8 - f/4 - f/5.6 - f/8 - f/11 - f/16 - f/22
Bij elke stop naar links wordt de scherptediepte minder en komt er twee keer zo veel licht op de beeldsensor.
Bij elke stop naar rechts wordt de scherptediepte meer en komt er twee keer minder licht op de beeldsensor.
Er zijn camera´s die ook tussenstappen met een 1/3 stop kunnen maken.
Voor meer informatie over het diafragma, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Verander het diafragma via de belichtingscompensatieknop die je ingedrukt houdt en het instelwiel. Maak een foto.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Sluitertijd
Lees dit onderdeel
De sluitertijd bepaalt hoe lang er licht op de beeldsensor van de camera valt. Zolang de sluiter van de camera openstaat, komt er licht op de beeldsensor.
Sluitertijd wordt gemeten in seconden (s) of fracties van seconden, bijvoorbeeld 1/60s of 1/500s.
De sluitertijd van de camera wordt bepaald door het omgevingslicht, het diafragma en ISO-waarde instellingen.
Een korte sluitertijd, bijvoorbeeld 1/500s, gebruik je doorgaans wanneer het onderwerp snel beweegt en/of omdat er veel omgevingslicht is.
Een lange sluitertijd, bijvoorbeeld 1/60s, gebruik je wanneer er weinig omgevingslicht is.
Sluitertijden langer dan 1/30s kunnen bewegingsonscherpte veroorzaken.
Sluitertijden reeks
30" - 15" - 8" - 4" - 2" - 1s - 1/2s - 1/4s - 1/8s - 1/15s - 1/30s - 1/60s - 1/125s - 1/250s - 1/500s - 1/1000s - 1/2000s - 1/4000s - 1/8000s
Bij elke stop naar links (langere sluitertijd) wordt de tijd verdubbeld en komt er twee keer zo veel licht op de beeldsensor.
Bij elke stop naar rechts (kortere sluitertijd) wordt de tijd gehalveerd en komt er twee keer minder licht op de beeldsensor.
Opdracht
1. Verander via het instelwiel de sluitertijd van je camera. Maak een foto.
ISO
Lees dit onderdeel
ISO bepaalt de lichtgevoeligheid van de beeldsensor.
Bij veel aanwezig licht kun je met een lage ISO-waarde, bijvoorbeeld ISO 100, een zeer gedetailleerde / scherpe foto maken.
Bij weinig licht is er een hoge ISO-waarde, bijvoorbeeld ISO 800, nodig om een foto te kunnen maken.
Het is belangrijk om een ISO-waarde te kiezen die geschikt is voor de lichtomstandigheden waarmee je fotografeert.
De ISO-waarde verhogen doe je om onderbelichting of bewegingsonscherpte te voorkomen.
Een te hoge ISO-waarde kan invloed hebben op de beeldkwaliteit (detaillering / scherpte).
Fotografeer bij voorkeur met een zo laag mogelijke ISO-waarde.
Controleer altijd de ISO-waarde voordat je begint met fotograferen.
ISO-waarden reeks
ISO 50 - ISO 100 - ISO 200 - ISO 400 - ISO 800 - ISO 1600 - ISO 3200 - ISO 6400 - ISO 12800 - ISO 25600
Opdracht
1. Verander de instelling van de ISO-waarde met de ISO-knop en het instelwiel op je camera.
Via het menu van de camera kun je ook de ISO-waarde veranderen.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Ruis
Lees dit onderdeel
Ruis kan ontstaat bij de omzetting van licht dat bij het fotograferen op de sensor valt en wordt omgezet naar een digitaal signaal.
Elke pixel op de sensor registreert het licht en vertaalt het naar een bepaalde kleurwaarde.
Onder bepaalde omstandigheden kunnen er kleine afwijkingen ontstaan bij het omzetten van het licht naar een kleurwaarde.
Deze afwijking noemen we ruis.
Ruis zie je vooral in de donkere delen van een foto en in gedeelten met weinig detaillering, zoals een onscherpe achtergrond of in de lucht.
Kleurruis
Wanneer je de ISO-waarde van je camera verhoogt, vergroot je het signaal van de beeldsensor naar de beeldprocessor.
Ruis is zichtbaar als afwijkingen in de kleuren van de pixels.
Tussen de pixels met de correcte kleuren staan dan pixels met willekeurige rode, groene en blauwe pixels.
Kleurruis kan ook ontstaan wanneer je teveel donkere gedeelten in een foto gaat oplichten met een fotobewerkinsprogramma.
Helderheidsruis
Helderheidsruis zie je vaak als korrelige vlekjes in de foto. Deze vorm van ruis onstaat bij het fotograferen met een te hoge ISO-waarde.
Vaste patroonruis
Bij lange sluitertijden kan er ook ruis ontstaan doordat de sensor in de camera te warm wordt.
Deze vorm van ruis noemen we Hot Pixels.
Is ruis iets om je zorgen over te maken?
Nee, niet echt. Als je niet me al te hoge ISO-waarden fotografeert, kom je zichtbare ruis meestal niet tegen.
Zeker niet wanneer je een foto gebruikt voor het internet of laat afdrukken.
Ruis is namelijk duidelijker zichtbaar op een beeldscherm dan bij een afdruk.
Een beetje ruis is niet erg. Het is vooral een kwestie van uitproberen wat je acceptabel vindt.
Wat je moet doen
Controleer altijd de ISO-instelling van je camera voordat je begint met fotograferen.
Verhoog de ISO-waarde alleen wanneer dit noodzakelijk is om een goed belichte foto te maken.
Zorg ervoor dat foto in eerste instantie direct al goed belicht is, in plaats van de foto achteraf lichter te maken met een fotobewerkingsprogramma.
Je kunt ook an een kleurenfoto een zwart-wit foto maken. De kleurruis is dan minder zichtbaar.
Gebruik, indien mogelijk, de beeldstabilisatie van de camera of objectief.
Gebruik evetueel een langere sluitertijd in combinatie met een lage ISO-waarde en een statief.
Moderne camera´s hebben instellingen om ruis te reduceren, zoals Ruisreductie Hoge ISO, bij Canon-camera's of Hoge ISO NR ( Noise Reduction ) bij Nikon-camera's.
Hiermee wordt ruis onderdrukt bij gebruik van hoge ISO-waarden.
Deze functie werkt overigens alleen wanneer je fotografeert in het JPG-formaat en niet in het RAW-formaat.
Wanneer je in het RAW-formaat fotografeert verwijder je de ruis met een fotobewerkingsprogramma.
Bij lange sluitertijden kun je, indien mogelijk, de functie Ruisreductie lange sluitertijd inschakkelen via het menu van de camera.
De camera maakt naast de originele foto een tweede foto, maar dan met de sluiter gesloten.
De camera registreert de aanwezige ruis en verwerkt deze vervolgens met de originele foto.
Geen tot nauwelijks zichtbaar ruis
ISO 50 - ISO 100 - ISO 200 - ISO 400 - ISO 800
Meer tot veel ruis
ISO 1600 - ISO 3200 - ISO 6400 - ISO 12800 - ISO 25600
Opdracht
1. Maak een foto met een ISO-waarde-instelling van ISO 100.
2. Maak dezelfde foto met een ISO-waarde-instelling van ISO 6400.
3. Kijk of je verschillen kan ontdekken in de hoeveelheid ruis.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
Lichtmeter
Lees dit onderdeel
Elke camera heeft een interne lichtmeter. Dit is een sensor die de hoeveelheid licht meet die door de lens valt.
De lichtmeter geeft aan of de foto onderbelicht, correct of overbelicht is. Voor een correct belichte foto moet de lichtmeter op 0 staan.
Dit geeft in 90% van alle gevallen een goede belichting.
De lichtmeter van je camera meet 18% grijs. Dit betekent dat de lichtmeter niet altijd een goed resultaat geeft.
Staat de meter aan de linkerkant van de 0, dan wordt de foto donkerder.
Staat de meter aan de rechterkant van de 0, dan wordt de foto lichter.
Afhankelijk van de situatie komt het regelmatig voor dat de foto iets donkerder of lichter moet zijn dan de lichtmeter aangeeft.
Met de belichtingscompensatieknop in combinatie met het instelwiel kun je de belichting nauwkeuriger instellen.
Opdracht
1. Zet je camera op de M-stand via de Standknop.
Verander de sluitertijd via het instelwiel op de camera en kijk wat de lichtmeter doet.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Licht meten
Lees dit onderdeel
Bij een spiegelreflexcamera gaat het licht door het objectief, via de spiegel naar de lichtmeetsensor boven in de camera.
Bij systeemcamera´s gaat het licht door de lens, rechtstreeks naar de beeldsensor en wordt daar gemeten.
Elke camera kan op verschillende manieren het licht meten.
Matrix
Ook wel meervlaksmeting genoemd bij Canon-camera´s. Canon- en Nikon-camera´s meten dat wat je ziet via het LCD-scherm of door de zoeker van de camera.
In de meeste gevallen zorgt deze instelling voor een goede belichting bij onderwerpen met weinig contrast.
Centrumgerichte meting
Ook wel centrumgewogen meting genoemd bij Canon-camera´s.
Canon- en Nikon-camera´s meten het hele beeld, waarbij de nadruk van de meting in het midden van het beeld ligt.
Deze instelling gebruik je wanneer het onderwerp in het midden staat bij een omgeving met veel contrast.
Deelmeting
Deelmeting is een manier van licht meten bij Canon-camera´s. Vergelijkbaar met spotmeting, maar dan ruimer.
De meting is ongeveer 10% in het midden van het totale beeld.
Spot
Bij Canon- en Nikon-camera´s meet de spotmeting een klein gedeelte in het midden van het beeld. Dit gedeelte is ongeveer 3% van het totale beeld.
Bij tegenlicht kan de spotmeting handig zijn om tot een correcte belichting te komen.
Bij andere merken camera´s werkt de manier van licht meten op dezelfde manier als hierboven omschreven.
Voor meer informatie raadpleeg je camera handleiding.
Opdracht
1. Verander de instelling van licht meten via het menu (meetmethode) in je camera.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Scherpstellen
Lees dit onderdeel
Standaard staat de camera ingesteld op het automatisch kiezen van een scherpstelpunt. Verander dit op de camera.
Zet het scherpstelpunt in het midden. Met deze instelling kun je exact op het onderwerp scherpstellen zonder last te hebben van voorwerpen of mensen die dichterbij staan.
Wanneer je een snel bewegend object wilt fotograferen, zet je de instelling op scherpstellen met meerdere scherpstelpunten.
AF-A / AF-I
Dit is de automatische autofocus.
Bij deze instelling schakelt de camera continu tussen de AF-C en de AF-S stand, afhankelijk van de situatie.
AF-A betekent Autofocus-Automatic bij Nikon. AF-I betekent Autofocus-Intelligence bij Canon.
AF-C / AI Servo AF
Dit is de continu autofocus. De beste autofocusstand om bewegende onderwerpen te fotograferen.
De camera blijft continu scherpstellen wanneer je de sluiterknop half ingedrukt houdt.
AF-C betekent Autofocus-Continuous bij Nikon. AI Servo AF betekent Artificial Intelligence Servo Automatic Focusing bij Canon.
AF-S
Dit is de enkelvoudige autofocus. De meest gebruikte autofocusstand voor het maken van architectuur-, landschaps- en portretfotografie.
AF-S betekent Autofocus-Single.
M
Om handmatig scherp te stellen zet je de knop op het objectief bij Nikon van A (Autofocus) op M (Manual) en bij Canon van AF (AutoFocus) op MF (Manual Focus).
Opdracht
1. Verander de scherpstelpunten in de enkelvoudige autofocusstand met de knop (zie handleiding van je camera)
en het instelwiel op je camera.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Scherptediepte
Lees dit onderdeel
Scherptediepte is de ruimte tussen het dichtstbijzijnde en het verste punt, die scherp wordt weergegeven.
Scherptediepte noemen we ook wel Depth Of Field, of kortweg DOF.
Dit gebied valt voor ongeveer 1/3 voor het scherpstelpunt en 2/3 achter het scherpstelpunt.
Op korte afstanden tot het onderwerp is dit ongeveer 1/2 voor het scherpstelpunt en 1/2 achter het scherpstelpunt.
Scherptediepte is afhankelijk van de afstand tot het onderwerp, het diafragma en de lens die je gebruikt.
Een groothoeklens geeft veel scherptediepte. Een telelens geeft weinig scherptediepte.
Voor weinig scherptediepte gebruik je een grote diafragma-opening. Dit is een laag getal, bijvoorbeeld f/2.8.
Voor meer scherptediepte gebruik je een kleine diafragma-opening. Dit is een hoog getal, bijvoorbeeld f/16.
Opdracht
1. Maak een foto met een diafragma-instelling van f/2.8 of f/3.5.
2. Maak dezelfde foto met een diafragma-instelling van f/22.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
Beeldsensor
Lees dit onderdeel
Een beeldsensor bestaat uit een groot aantal fotodiodes die licht opvangen en omzetten in elektronische signalen.
Deze signalen worden vervolgens verwerkt door de beeldprocessor om een digitale afbeelding te creëren. Een beeldsensor heeft een vaste gevoeligheid.
Wanneer je de ISO-waarde van je camera verhoogt, versterk je het signaal van de beeldsensor naar de beeldprocessor.
Full-frame camera´s worden zo genoemd omdat het formaat van de beeldsensor net zo groot is als een negatiefformaat (24 x 36 mm) van een analoge camera.
Omdat een full-frame beeldsensor relatief duur is, zijn er ook camera´s met een kleinere beeldsensor.
Bijvoorbeeld een camera met een APS-C beeldsensor (15 x 22 mm).
Cropfactor
De cropfactor heeft te maken met de afmeting van de beeldsensor van de camera. Het verschil ga je zien bij de brandpuntsafstand van objectieven.
Een 50mm lens op een full-frame camera heeft een brandpuntsafstand van 50mm.
Wanneer je dezelfde lens op een camera met een cropfactor zet, bijvoorbeeld een APS-C camera, krijgt de lens een grotere brandpuntsafstand.
Bij een APS-C camera met een 50mm lens zal deze lens zich gedragen als een 75mm (x 1,5 Nikon cropfactor) of 80mm (x 1,6 Canon cropfactor) lens,
waardoor het onderwerp dichterbij komt.
Ontstoffen
Wanneer je een lens verwisselt, zet je de camera uit. Dit vermindert de hoeveelheid statische lading van de beeldsensor, waardoor de beeldsensor minder stof aantrekt.
Stofjes komen meestal binnen tijdens het wisselen van objectieven in de buitenlucht.
Stofjes kunnen ook zitten op de vatting van de lens. Verwijder deze met een blaasbalgje.
De beeldsensor ontstoffen doe je met een statisch nylon penseel. Hardnekkige vlekjes kun je laten schoonmaken door een specialist.
Voor meer informatie over het schoonmaken van een beeldsensor, ga naar google.com
Opdracht
1. Zet je camera uit. Hou de knop op de camera, naast het objectief, ingedrukt en draai het objectief van de camera.
Je ziet nu de beeldsensor in je camera.

Witbalans
Lees dit onderdeel
De witbalans bepaalt de kleurtemperatuur van de foto. De kleurtemperatuur wordt uitgedrukt in Kelvin (K). Neutraal daglicht ligt tussen 5000K en 6500K.
Controleer of je camera op de automatische witbalans (AWB) staat. Deze instelling geeft een goede witbalans bij normale daglichtomstandigheden.
Wanneer je in RAW fotografeert, kun je achteraf en zonder kwaliteitsverlies de kleurtemperatuur veranderen.
Voor meer informatie over witbalans, ga naar wikipedia.com
Opdracht
1. Verander de instelling van de witbalans. Dit kan met de WB-knop (WitBalans-knop) op je camera.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

JPG
Lees dit onderdeel
Een JPG-bestand, of JPEG-bestand (Joint Photographic Experts Group), is een bestandsformaat voor het opslaan en gebruik van digitale foto´s.
JPG-bestanden gebruiken compressie om de bestandsgrootte te verkleinen. Tijdens deze compressiemethode kan er beeldinformatie verloren gaan.
Voor meer informatie over JPG, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Verander de JPG (L=Large) instelling, via het menu - kwaliteit, in RAW.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
RAW
Lees dit onderdeel
Als je gaat voor de beste kwaliteit, kies je voor het fotograferen in het RAW-formaat.
Bij fotograferen in RAW kan achteraf de witbalans aangepast worden met een fotobewerkingsprogramma.
Ook is er meer ruimte voor correcties in de donkere en lichte delen van je foto.
Een RAW-bestand moet je achteraf met een fotobewerkingsprogramma gedeeltelijk opscherpen.
Wanneer je een RAW-bestand controleert op het LCD-scherm van de camera, zie je geen RAW-bestand maar een JPG-thumbnail van het originele RAW-bestand.
Dit is een gecomprimeerd JPG-bestand met minder kleur- en detailinformatie dan het RAW-bestand.
Een RAW-bestand is vele malen groter dan een JPG-bestand. Daardoor gaan er minder RAW-bestanden op een SD-kaart dan wanneer je fotografeert in het JPG-formaat.
Voor meer informatie over RAW, ga naar wikipedia.org
RAW-bestanden moet je bewerken met een fotobewerkingsprogramma zoals Adobe Photoshop, Adobe Lightroom of een programma die je gratis kan downloaden via
nikon.nl of
canon.nl of een programma
via je eigen cameramerk.
Opdracht
1. Verander de RAW instelling, via het menu - kwaliteit, in JPG (L).
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
Compositie
Lees dit onderdeel
Een goede compositie kan ervoor zorgen dat een foto interessant en/of mooi wordt. Compositie is in feite een ordening van elementen en licht in het beeldvlak.
Een fotograaf kan personen of voorwerpen vooraf op een uitgezochte plek zetten.
Een fotograaf kan ook de camera net zo lang verplaatsen totdat de opbouw van het beeld voor zijn gevoel klopt.
Centrale compositie
Door het centreren van het onderwerp krijgt de foto balans. Deze techniek werkt het beste bij een compositie met weinig elementen in beeld.
Voorbeelden van een centrale compositie kun je bekijken via google.com
Regel van derden
De regel van derden geeft in veel gevallen een zeer prettig ogende beeldvulling.
Het maakt een foto interessanter door het onderwerp bij of op een snijpunt en/of lijn te plaatsen.
Voorbeelden kun je bekijken via google.com
Gulden snede / gouden verhouding
De gulden snede / gouden verhouding kun je vertalen naar een spiraalvorm (Fibonacci). Het komt ook voor in de architectuur, schilderkunst en de natuur.
Meer informatie over de gulden snede kun je vinden op wikipedia.org
Voorbeelden van de gulden snede of gouden verhouding kun je bekijken via google.com
Voor meer informatie over Fibonacci, ga naar wikipedia.org
leidende lijnen
Leidende lijnen in de compositie zijn een manier om de aandacht van de kijker te sturen. Je ogen volgen de lijnen.
Voorbeelden van leidende lijnen kun je bekijken via google.com
Kadreren
Het doel is om een compositie te creëren die de aandacht op het onderwerp vestigt, bijvoorbeeld door het raam of de deuropening van een auto.
Voorbeelden van kadreren kun je bekijken via google.com
Liggend formaat
Liggend formaat, ook wel landschap genoemd, wordt het meest gebruikt bij het fotograferen van landschappen en architectuur.
Deze klassieke benadering van fotograferen is voor mijn gevoel beter dan in het staand formaat.
Afhankelijk van het onderwerp kan ook een staand formaat aantrekkelijk zijn om een landschap te fotograferen.
Voorbeelden van een liggend formaat kun je bekijken via google.com
Staand formaat
Staand formaat wordt vaak gebruikt bij het fotograferen van portretten. Daarmee is niet gezegd dat je hiervoor moet kiezen.
Is de omgeving bij het maken van een portret ook belangrijk, dan is het liggend formaat de betere keuze.
Voorbeelden van een staand formaat kun je bekijken via google.com
Vierkant formaat
Het onderwerp in het midden plaatsen brengt rust in een foto.
Achteraf een uitsnede maken van een liggend of staand formaat naar een vierkant formaat kan prima.
Voorbeelden van een vierkant formaat kun je bekijken via google.com
Onscherpe achtergrond
Onscherpte in de achtergrond zorgt ervoor dat de aandacht vooral naar het onderwerp gaat.
Voorbeelden van een onscherpe achtergrond kun je bekijken via google.com
Onscherpe voorgrond
Onscherpe personen of objecten op de voorgrond creëren een gevoel van diepte.
Een oninteressante voorgrond kan storend zijn en daardoor te veel aandacht vragen.
Voorbeelden van een onscherpe voorgrond kun je bekijken via google.com
Positieve en negatieve ruimte
De positieve ruimte is het hoofdonderwerp. De negatieve ruimte is de ruimte rondom het hoofdonderwerp.
Deze negatieve ruimte benadrukt het hoofdonderwerp in de foto. De relatieve leegte en rust eromheen versterken de compositie.
Voorbeelden van positieve en negatieve ruimte kun je bekijken via google.com
Juxtapositie
Juxtapositie vindt plaats wanneer je twee contrasterende onderwerpen onder, naast, boven of achter elkaar plaatst.
Voorbeelden van juxtapositie kun je bekijken via google.com
Alles is goed
Een klassieke benadering voor een compositie kan je helpen om een betere foto te krijgen.
Afwijken van klassieke compositieregels is gezond. Fotografeer en experimenteer. Alles wat je doet, is goed.
Voor meer informatie over compositie, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Bekijk de verschillende compositieregels via de linkverwijzingen.
Vasthouden
Lees dit onderdeel
Met een relatief lange sluitertijd, bijvoorbeeld 1/30 seconde, is het belangrijk dat je de camera goed vasthoudt.
Het niet goed vasthouden van de camera kan leiden tot bewegingsonscherpte.
Een vuistregel is dat de brandpuntsafstand de minimale sluitertijd bepaalt.
Fotografeer je met een 200mm lens, dan kun je met een minimale sluitertijd van 1/200 seconde de camera stilhouden.
Gebruik je een 50mm lens, dan kun je een minimale sluitertijd gebruiken van 1/50 seconde.
Fotografeer je met een spiegelreflex- of systeemcamera, houd je linkerhand dan onder de camera.
De body van de camera rust op je handpalm. Je duim en wijsvinger houden de lens aan de zijkant vast.
Met de duim en wijsvinger kun je dan eventueel zoomen en/of scherpstellen. De wijsvinger van je rechterhand zit op de sluiterknop.
De andere vingers van je rechterhand houden het handgreepgedeelte van de camera vast. Je rechterduim zit dan doorgaans aan de achterkant van de camera.
Duw je armen en ellebogen licht tegen de voorkant van je lichaam. Om stabiel te staan, zet je de ene voet een beetje voor de andere.
Opdracht
1. Oefen dit met je camera.

Slotwoord
Lees dit onderdeel
Blijf enthousiast tijdens het fotograferen. Dat is de beste basis voor je verdere ontwikkeling.
Deze workshop is dan ook een startpunt om je daarbij te helpen.
Mocht je na de workshop verdere begeleiding willen, dan kan dat.
Je kunt ook overwegen ergens anders in het land een workshop te volgen. Een workshop die meer aansluit bij een onderwerp dat je interesseert.
Misschien is dat wel landschapsfotografie. Er zijn veel goede fotografen met specialisaties die ook workshops geven.
Blijf fotograferen en experimenteren.
Huiswerk
Opdracht 1
Fotografeer en experimenteer.
Opdracht 2
Maak een map aan op het bureaublad van je computer. Kopieer foto´s van het internet die je interessant en/of mooi vindt naar deze map.
Probeer te verwoorden waarom je de foto interessant en/of mooi vindt.
Hoe is de compositie van de foto? Is er gefotografeerd bij daglicht, kunstlicht of met flitslicht?
Geeft het gebruikte licht een bepaalde sfeer? Zit er veel of weinig scherptediepte in de foto? Is er voldoende scherpte daar waar het belangrijk is?
Welk objectief en diafragma is er gebruikt (bij benadering)? Is er een lage of hoge ISO-waarde gebruikt tijdens het fotograferen (bij benadering)?
Doe dit bij elke foto die je ziet. Aanvankelijk wat lastig, maar op den duur word je daar handiger in.
Dit proces gaat je uiteindelijk helpen bij het maken van betere foto´s.
Voor inspiratie ga naar google.com
Objectieven
Een voordeel van een spiegelreflex- of systeemcamera is dat je de objectieven kan verwisselen.
Bij een compactcamera zit het objectief vast aan de camera.
Een objectief heeft lenzen. Met objectief bedoelen we het hele apparaat en de lens is een van de glazen elementen van het objectief.
Of je nu het woord objectief of lens gebruikt, maakt niet uit. Beide woorden omschrijven vandaag de dag hetzelfde. Objectieven / lenzen zijn er in diverse soorten.
Prime lens
Een prime lens heeft een vaste brandpuntsafstand. Zoomen is niet mogelijk.
Voorbeelden van een prime lens kun je bekijken via google.com
Zoomlens
Een zoomlens heeft een variabele brandpuntsafstand. Een zoomlens geeft twee waarden aan.
Een minimale en maximale waarde. Dit noemen we het zoombereik. Bijvoorbeeld een 18-55mm of 70-200mm lens.
Voorbeelden van een zoomlens kun je bekijken via google.com
Telelens
Alle objectieven boven de 70mm worden een telelens genoemd. Met een telelens kun je onderwerpen dichtbij halen.
Dit soort objectieven hebben een vaste brandpuntsafstand. Hiermee kun je niet in- of uitzoomen.
Voorbeelden van een telelens kun je bekijken via google.com
Groothoeklens
Deze lens kan veel van de omgeving tonen in een foto. Dit komt door de korte brandpuntsafstand die een groothoeklens heeft.
Dit soort objectieven zijn zeer geschikt om te gebruiken bij architectuur- en landschapsfotografie. Bijvoorbeeld de veelgebruikte 24mm lens.
Een 16-35mm lens kan zoomen en is ook een groothoeklens als een groothoekzoomlens.
Voorbeelden van een groothoeklens kun je bekijken via google.com
Macro lens
Met een macro lens kun je kleine onderwerpen van dichtbij fotograferen.
Bij een macro lens is de beeldverhouding 1 staat tot 1. Het onderwerp dat je fotografeert is net zo groot als in werkelijkheid.
Voorbeelden van een macro lens kun je bekijken via google.com
Fisheye lens
Dit is een lens waarmee je met 180 graden (of meer) zicht een foto kan maken.
Voorbeelden van een fisheye lens kun je bekijken via google.com
Tilt-shift lens
Bij een Tilt-shift lens valt het beeld met een andere hoek op de beeldsensor, waarmee je een perspectivische vertekening kan corrigeren.
Daarnaast kan deze lens ook goed gebruikt worden om meer of juist minder scherptediepte te krijgen.
Voorbeelden van een Tilt-shift lens kun je bekijken via google.com
De meeste deelnemers aan de workshop bezitten een APS-C camera met een kitlens.
Een kitlens is meestal een 18-55mm, f/3.5-5.6 zoomobjectief. Prima voor algemeen gebruik, maar dit soort objectieven geven weinig onscherpte in de achtergrond.
Voor meer onscherpte in de achtergrond adviseer ik een andere lens.
Afhankelijk van het merk is er tussen de € 120,- en € 200,- een
Canon EF 50mm f/1.8 lens of een
Nikon AF-S 50mm f/1.8 lens
te koop waarmee je betere portretfoto´s kan maken.
Deze objectieven zijn licht van gewicht, maken scherpe foto´s en geven een goede onscherpte in de achtergrond.
Bij een APS-C camera met een 50mm lens zal de lens zich gedragen als een 75mm (x 1,5 Nikon cropfactor) of 80mm (x 1,6 Canon cropfactor) lens.
Een ander alternatief voor de kitlens is de Canon EF-S 24mm f/2.8 lens.
Voor Nikon APS-C camera´s is dit de Nikkor Z DX 24mm f/1.7 lens.
Bij een APS-C camera met een 24mm lens zal de lens zich gedragen als een +/- 35mm lens (x 1,5 Nikon cropfactor en x 1,6 Canon cropfactor).
Afhankelijk van het merk liggen de prijzen tussen de € 150,- en € 320,-.
Histogram
Een histogram is een grafische weergave van het toonbereik in een foto.
Het laat zien hoe de helderheid van kleuren en de donkere en lichte delen in een foto zich tot elkaar verhouden.
Met het histogram kun je beoordelen of er in de donkere en lichte delen van de foto beeldinformatie zit.
Elke pixel in de foto heeft een waarde tussen 0 en 255. 0 is zwart, links op het histogram. 255 is wit, rechts op het histogram.
Hoe een histogram eruitziet, is afhankelijk van het onderwerp en de lichtomstandigheden.

Stop
Met een stop wordt een verdubbeling of halvering van de belichting bedoeld.
Diafragma
Eén stop omhoog betekent een halvering van het licht.
Van diafragma f/5.6 naar f/8 is -1 stop. De foto wordt donkerder.
Eén stop omlaag betekent een verdubbeling van het licht.
Van diafragma f/8 naar f/5.6 is +1 stop. De foto wordt lichter.
Sluitertijd
Eén stop omhoog betekent een halvering van het licht.
Van 1/60 seconde naar 1/125 seconde is -1 stop. De foto wordt donkerder.
Eén stop omlaag betekent een verdubbeling van het licht.
Van 1/125 seconde naar 1/60 seconde is +1 stop. De foto wordt lichter.
ISO
Eén stop omhoog betekent een verdubbeling van het licht.
Van ISO 200 naar ISO 400 is +1 stop. De foto wordt lichter.
Eén stop omlaag betekent een halvering van het licht.
Van ISO 400 naar ISO 200 is -1 stop. De foto wordt donkerder.
Camerascherm
Het merendeel van de cursisten fotografeert met een Nikon D5600 camera. Dit is een overzicht van de verschillende symbolen op het scherm.
1 Stand Manueel |
2 Sluitertijd |
3 Diafragma |
4 Belichtingsaanduiding |
5 Scherpstelpunten |
6 Ontspanstand Enkel beeld (s) |
7 ISO |
8 Aantal resterende opnamen |
9 RAW + JPG Fijn |
10 Beeldformaat L = Large |
11 Bracketing |
12 High Dynamic Range |
13 Actieve D-Lighting |
14 Auto witbalans |
15 ISO |
16 Picture control |
17 Autofocus Automatisch |
18 Automatisch veld-AF |
19 Lichtmeting methode |
20 Flitsstand |
21 Flitscorrectie |
22 Belichtingscorrectie |
23 Help |
24 Info |
25 Toewijzing Functie |
26 Vignetteringscorrectie |
27 Vibratiereductie |
28 Accu
In grote lijnen geeft elk scherm hetzelfde weer. Indeling, symbolen en benamingen verschillen per merk en/of type camera.
Begrijp je de symbolen en benamingen niet, raadpleeg dan je camera handleiding.
Je zoekgeraakte camera handleiding kun je downloaden via
handleidingkwijt.com
Grijskaart
Een grijskaart heeft een geijkte kleur grijs. Dit is 18% grijs met een sRGB-waarde van 119(R),119(G),119(B).
Je gebruikt deze kaart als referentiepunt voor het bepalen van de witbalans en/of een goede belichting.
De 18% grijswaarde is de waarde waarop een lichtmeter van een camera is geijkt.
Met de camera in de automatische stand, kunnen afwijkingen ontstaan in de kleuren en belichting wanneer het onderwerp geen 18% licht terugkaatst.
Fouten in de belichting kunnen ontstaan bij veel witte en/of donkere partijen in je beeld.
Wanneer je de camera op een grijskaart richt en het opvallende licht meet, krijg je een goede belichting.
Zet hiervoor de camera in de M-stand en meet de sluitertijd met de grijskaart vol in beeld.
Pas deze sluitertijd toe op je onderwerp.
Het licht op de grijskaart moet hetzelfde zijn als op het onderwerp.
Wanneer je in RAW fotografeert, kun je altijd de witbalans aanpassen met bijvoorbeeld Adobe Photoshop of Adobe Lightroom.
Voor meer informatie over grijskaarten, ga naar wikipedia.com
en naar google.com
Belichtingsdriehoek
De belichtingsdriehoek zegt inhoudelijk niets over welke belichting je moet maken.
Het maakt inzichtelijk welke invloed de sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde op elkaar kunnen uitoefenen
bij een correcte lichtmeting die de camera heeft gemaakt.
Je kan de sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde zodanig aanpassen dat de belichting niet verandert.
Sluitertijd, diafragma en ISO-waarde werken samen. Verander je er één, dan moet je ook een andere aanpassen wanneer je dezelfde belichting wil houden.
In dat geval krijg je geen over- of onderbelichting.
Stel, ik heb een sluitertijd van 1/60s, diafragma f/5.6 en ISO 400 (groene lijn) bij een belichtingsmeting. Je bent niet tevreden met de ingestelde ISO-waarde.
Verander je nu de ISO-waarde van ISO 400 naar ISO 100, dan moet ik dit compenseren met een andere sluitertijd of diafragma.
Je kiest voor het veranderen van het diafragma. Je compenseert het diafragma naar f/2.8 (blauwe lijn) om dezelfde belichting te houden.
Voor meer informatie over de belichtingsdriehoek, ga naar google.com

Brandpuntsafstand
De brandpuntsafstand bepaalt, in combinatie met de grootte van de beeldsensor, de beeldhoek.
Hoe groter de beeldhoek, hoe korter de brandpuntsafstand, zoals bij groothoeklenzen.
Hoe kleiner de beeldhoek, hoe groter de brandpuntsafstand, zoals bij telelenzen.
De brandpuntsafstand wordt aangegeven in millimeters en staat vermeld op de rand van een lens.
Voor meer informatie over brandpuntafstand, ga naar wikipedia.org
Statieven
Een statief is een handig hulpmiddel voor het fotograferen met lange sluitertijden of het maken van meerdere belichtingen van hetzelfde onderwerp.
Er zijn verschillende soorten statieven.
Tripod
Een tripod is het meest gebruikte type statief en wordt ook wel een driepootstatief genoemd.
Deze statieven worden gebruikt voor portret-, architectuur- en landschapsfotografie en voor het maken van foto´s met een lange sluitertijd en/of
meerdere belichtingen van hetzelfde onderwerp. Voor meer informatie, ga naar google.com
Monopod
Een monopod blijft niet zelfstandig staan, maar heeft als voordeel dat deze snel op te zetten is. Dit type statief heeft één poot.
Deze statieven worden voornamelijk gebruikt door sportfotografen die werken met grote, zware telelenzen.
Voor meer informatie, ga naar google.com
Ministatief
Ministatieven zijn klein en makkelijk mee te nemen. Dit soort statieven zijn handig voor op vakantie of als tafelstatief.
Er zijn ministatieven die beschikken over flexibele pootjes die je bijvoorbeeld om een tak van een boom kan klemmen.
Voor meer informatie, ga naar google.com
Filters
Een ronde filter schroef je op de lens. Een vierkant of rechthoekig filter zet je met een speciale filterhouder voor de lens.
Er zijn verschillende soorten filters die handig kunnen zijn bij landschapsfotografie.
Grijsverloopfilter
Een grijsverloopfilter is ideaal voor landschapsfotografie. Deze filter zorgt ervoor dat de lucht niet overbelicht wordt.
Fotografeer je met de zon in de rug, dan heb je niet zo snel een grijsverloopfilter nodig.
Dit filter is een rechthoekig glazen plaatje dat aan de bovenzijde doorlatend grijs is en halverwege transparant wordt.
Deze filter zit in een filterhouder voor de lens en kan gedraaid en verschoven worden.
Met een grijsverloopfilter krijg je minder last van bewegende wolken en bomen dan wanneer je een HDR-foto maakt.
Voorbeelden van grijsverloopfilters kun je bekijken via google.com
Polarisatiefilter
Dit is een twee in één filter dat onafhankelijk van elkaar gedraaid kan worden.
Deze filter neemt reflecties gedeeltelijk weg, geeft een hoger dynamisch bereik / meer detaillering aan je foto en zorgt voor meer verzadiging in de kleuren.
Voorbeelden van polarisatiefilters kun je bekijken via google.com
ND-filter
Een ND-filter is een grijsfilter dat licht tegenhoudt voor fotograferen met lange sluitertijden. ND staat voor Neutral Density.
Er zijn ND-filters in verschillende sterktes uitgedrukt in stops. Ze kunnen 1 tot 10 stops licht tegenhouden.
Voor een goed resultaat bij het gebruik van een ND-filter stel je de ISO-waarde zo laag mogelijk in.
Maak gebruik van een elektronische draadontspanner en zet de camera op een stevig statief.
Sluitertijden zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezig licht, de sterkte van de ND-filter en het diafragma.
Gegevens die horen bij deze foto: 11 september 2013, tijdstip 06.20 uur, Canon EOS 5D Mark II, Canon 16-35mm f/2.8 lens, sluitertijd 120 seconden, diafragma f/11, ISO 100, ND-Filter +10 stops.
Voor meer informatie over ND-filters, ga naar google.com
HDR-foto
Voor het maken van een HDR-foto (High Dynamic Range) gebruik je een statief om de compositie gelijk te houden.
In de bracketing stand maakt je camera meerdere foto´s achter elkaar met verschillende belichtingen.
Elke foto in de reeks krijgt één of twee stops verschil qua belichting.
Canon noemt bracketing AEB (Automatic Exposure Bracketing) en bij Nikon noemen ze het BKT (Bracketing).
Achteraf worden de verschillende belichte foto´s tot één samengevoegd, een HDR-foto.
Het eindresultaat is een foto met groot dynamisch bereik waarin er geen delen zijn onder- of overbelicht.
Voor het samenvoegen van een serie foto´s maak je gebruik van een programma zoals Adobe Photoshop, Adobe Lightroom of een programma dat je
gratis kan downloaden via nikon.nl of
canon.nl
of een programma via je eigen cameramerk.
Voorbeelden van een HDR-foto kun je bekijken via google.com
Belichten op rechts
Expose to the right (ETTR).
Deze techniek wordt vaak gebruikt bij landschapsfotografie.
Als het onderwerp vrij donker is kan deze techniek je helpen om een beter resultaat te krijgen.
Maak de donkere delen in je foto zo licht mogelijk met behulp van je sluitertijd.
Het objectief staat bij voorkeur op f/11. Een objectief kan bij f/11 de meeste detailleringen weergeven.
Je overbelicht de foto zodanig dat de hoge lichten niet verdwijnen. Aan de rechterzijde van het histogram mogen de tonen niet buiten, rechts op het histogram komen.
In de nabewerking, bijvoorbeeld met Adobe Camera Raw of Adobe Lightroom, maak je de foto weer donkerder.
Op deze manier krijg je minder ruis in de donkere delen.
Een groot nadeel bij deze techniek is de kans op overbelichting in de hooglichten en dat de kleuren een beetje kunnen gaan afwijken.
Aberratie
Chromatische aberratie is een optische fout van een lens. Het is te zien als rode en blauwe of rode en groene randen op onderwerpen met een hoog contrast.
Je kan chromatische aberratie voorkomen door hoge contrasten te vermijden of een kleinere diafragma-opening te kiezen.
In de nabewerking kun je de chromatische aberratie verminderen door bijvoorbeeld Adobe Camera Raw te gebruiken.
Voorbeelden van chromatische aberratie kun je vinden via google.com
Geheugenkaart
Een SD-kaart (Secure Digital) is de meest voorkomende geheugenkaart voor een camera.
Een geheugenkaart heeft een schrijf- en leessnelheid. Op de kaart staat dit uitgedrukt in MB per seconde (MB/s).
De schrijfsnelheid is belangrijk als je fotografeert met grote bestanden. Deze is afhankelijk van de cameraresolutie (aantal megapixels),
het bestandsformaat (JPG of RAW) en wanneer je veel foto´s achter elkaar maakt.
Wanneer de schrijfsnelheid van de kaart te laag is en de buffer van de camera vol zit,
kun je geen foto´s maken, totdat de eerder gemaakte foto´s zijn opgeslagen op de SD-kaart.
Nadat de fotobestanden op de laptop zijn gezet, kun je de fotobestanden op je SD-kaart verwijderen door de kaart te formatteren via het menu van de camera.
Voor meer informatie over de SD-kaart, ga naar
cameranu.nl en
kamera-express.nl
Foto bewerken
Wil je kwalitatief goede foto´s dan fotografeer je in het RAW-formaat.
Dat betekent dat de camera geen bewerkingen toepast, zoals het opscherpen van de foto.
Mijn RAW-bestanden bewerk ik in Adobe Photoshop. Daarmee kan ik gedeeltelijk mijn foto lichter of donkerder maken,
storende elementen retoucheren, kleuren aanpassen, bijsnijden en achteraf de foto gedeeltelijk opscherpen.
Er zijn veel fotobewerkingsprogramma´s die RAW- en JPG-bestanden kunnen aanpassen.
RAW-bestanden bewerken kan met een programma dat je gratis kan downloaden via
nikon.nl of
canon.nl of een programma
via je eigen cameramerk. Ga je voor het eerst een RAW-bestand bewerken, is dit een goed startpunt.
Wil je meer mogelijkheden bij het bewerken van RAW-bestanden installeer dan een ander programma.
Adobe Lightroom
Adobe Lightroom kun je met een abonnement downloaden.
Voor meer informatie over Adobe Lightroom, ga naar adobe.com
Adobe Photoshop
Adobe Photoshop kun je met een abonnement downloaden via adobe.com
Voor een gebruikershandleiding over Adobe Photoshop, ga naar
adobe.com/user-guide en
adobe.com/tutorials
De NIDF-norm bevat richtlijnen voor Adobe Photoshop instellingen.
Voor meer informatie over de NIDF-norm, ga naar focusmagazine.nl
NIK Collection zijn plug-in filters voor Photoshop en veel gebruikt door professionele fotografen.
Voor meer informatie over NIK Collection, ga naar nikcollection.dxo.com
Via Adobe Photoshop + Nik Dfine is het mogelijk zichtbaar ruis te verminderen.
Voor meer informatie over Nik Dfine, ga naar dxo.com
Affinity Photo
Affinity is een gratis fotobewerkingsprogramma.
Voor meer informatie over Affinity Photo, ga naar affintiy.studio
GIMP
Gimp is een gratis fotobewerkingsprogramma waarmee je onder andere de helderheid, het contrast en de kleuren van een foto kan regelen.
Een foto croppen / bijsnijden en werken met lagen kan ook met Gimp.
RAW-bestanden kun je openen via het gratis programma Darktable. Darktable werkt prima samen met Gimp.
Gimp kun je downloaden via gimp.org
Voor de Nederlandstalige tutorial, ga naar docs.gimp.org
RawTherapee
RawTherapee is een gratis fotobewerkingsprogramma.
Voor meer informatie over RawTherapee, ga naar rawtherapee.com
Beeldscherm
Je beeldscherm moet de kleuren, helderheid en het contrast goed weergeven. Er zijn veel beeldschermen die dit kunnen.
Zo waren Barco en LaCie CRT monitoren in de jaren 90 en begin 2000 de norm. Sinds 2003 gebruik ik Eizo beeldschermen die goed te kalibreren zijn.
Normaal gesproken heeft een beeldscherm een sRGB-kleurruimte (standaard Rood Groen Blauw). De betere beeldschermen kunnen de Adobe RGB-kleurruimte weergeven.
Bij Adobe RGB liggen de kleuren verder uit elkaar dan bij sRGB. Adobe RGB heeft hiermee een groter kleurbereik (kleurruimte) dan sRGB.
Er zijn meerdere merken beeldschermen met een Adobe RGB-kleurruimte.
Voor informatie over AOC beeldschermen, ga naar coolblue.nl
Voor informatie over BenQ beeldschermen, ga naar kamera-express.nl
Voor informatie over Eizo beeldschermen, ga naar eizo.nl
Wanneer de kleuren en/of helderheid en/of contrast op het beeldscherm afwijken van een print, is de kans groot dat je beeldscherm niet goed is ingesteld.
Om een beeldscherm goed in te kunnen stellen, moet je het kalibreren. Dit gaat met een sensor die je tegen het beeldscherm zet en de kleuren meet.
De software van de sensor zorgt ervoor dat er een goed kleurprofiel voor je beeldscherm wordt ingesteld.
Meer informatie over dit onderwerp kun je vinden op cameranu.nl
Meer informatie over kalibratie kun je vinden op focusmagazine.nl
Kleurprofiel
Een kleurprofiel kan worden ingesteld via het menu van je camera. Het kleurprofiel bepaalt op welke manier de kleurenpixels in de camera worden uitgelezen.
Dit kan ervoor zorgen dat je camera, monitor en foto´s dezelfde kleuren weergeven.
Als je in RAW fotografeert kun je het kleurprofiel achteraf wijzigen met een fotobewerkingsprogramma zoals Adobe Photoshop.
De pixels op je camerasensor kunnen de kleuren Rood, Groen en Blauw vastleggen.
Binnen iedere kleur kunnen ze 256 verschillende tinten onderscheiden. Als verschillende kleuren zich combineren krijg je nieuwe kleuren.
Adobe RGB en sRGB kunnen 16.777.216 (256 x 256 x 256) miljoen verschillende kleuren vastleggen.
Het verschil tussen de beide profielen zit in de weergave van kleuren. Bij Adobe RGB liggen de kleuren verder uit elkaar dan bij sRGB.
Adobe RGB heeft hiermee een groter kleurbereik (kleurruimte) dan sRGB.
Het kleurprofiel is afhankelijk van het medium.
Zet je een foto op het internet, dan kun je dit het beste fotograferen in sRGB.
Een foto op internet met een Adobe RGB kleurprofiel heeft minder kleurverzadiging.
Het beste is om altijd te fotograferen met het Adobe RGB kleurprofiel.
Omzetting (converteren) naar sRGB kleurprofiel kan altijd binnen een fotobewerkingsprogramma zoals Adobe Photoshop.
Foto´s die worden gebruikt voor boeken en tijdschriften fotografeer en bewerk je altijd in het Adobe RGB kleurprofiel.
Wanneer je een foto laat printen is het kleurprofiel van belang. Professionele vaklab´s kunnen goed overweg met Adobe RGB en sRGB kleurprofielen.
Vaak is het mogelijk om het kleurprofiel van het vaklab te downloaden en te gebruiken binnen een fotobewerkingsprogramma.
Gemiddelde printcentrales verwachten een foto in het sRGB kleurprofiel. Standaard komt iedere camera uit de fabriek ingesteld op het sRGB kleurprofiel.
Voor meer informatie over kleurprofielen, ga naar wikipedia.org
Flitsen
De meeste APS-C camera´s hebben een ingebouwde flitser. Professionele camera´s niet.
Wanneer het te donker is om te fotograferen, kan de camera in de automatische stand de flitser aanzetten.
Op zich geen probleem, maar de ingebouwde flitser heeft zijn beperkingen.
Je kan alleen direct flitsen (recht naar voren). Het bereik van het flitslicht ligt ongeveer tussen de 2 en 6 meter.
Een beter resultaat bereik je met een externe flitser / reportageflitser.
Een externe flitser heeft een draaibare kop. Met deze kop ben je niet beperkt tot rechtuit flitsen.
Deze flitsers geven je de mogelijkheid om het flitslicht een andere kant op te laten gaan. Dit noemen we indirect flitsen.
In de praktijk, als je binnen fotografeert, richt je de flitser op het plafond.
Dit geeft een zacht, gespreid licht. Wil je meer licht naar voren laten komen, gebruik dan een bounce card.
Een bounce card kan flitslicht naar het plafond laten gaan en op hetzelfde moment richting je onderwerp.
Handiger in de praktijk is het gebruik van een Omnibounce. Dit zijn speciale kapjes die je op de kop van een flitser drukt.
Het maakt het flitslicht diffuus, waardoor de schaduwen zachter worden.
Voor meer informatie over externe flitsers, ga naar google.com
Voor meer informatie over een bounce card, ga naar google.com
Voor meer informatie over Omnibounce, ga naar google.com
TTL
Through The Lens (door de lens) betekent dat de camera de lichtmeting regelt.
Het voordeel om te flitsen in deze stand is het gemak waarmee je bij veranderende lichtomstandigheden snel kan
fotograferen zonder aanpassingen te maken op de flitser en/of camera.
M
Wil je de volledige controle over de instellingen van de camera en flitser, zet dan de camera en flitser in de M-stand.
Wanneer je wilt beschikken over het volle vermogen van je flitser, zal ook de M-stand de beste instelling zijn.
Je kan met het aanpassen van het diafragma van de lens kleine veranderingen in de belichting maken.
Door de instelling op de flitser aan te passen, krijg je ook een verandering in de belichting.
Bijvoorbeeld bij vol vermogen (1/1) het vermogen van de flitser te halveren (1/2).
Flitssynchronisatietijd
De maximale sluitertijd waarmee je kan flitsen ligt tussen de 1/125s en de 1/250s, afhankelijk van de camera.
Flitsen met een snellere sluitertijd kan betekenen dat een gedeelte van de foto niet belicht wordt met flitslicht.
Flits op het 1ste gordijn
De normale stand van fotograferen met de flitser.
Flits op het 2de gordijn
Flitssynchronisatie op het tweede gordijn wil zeggen dat de flitser licht geeft net voordat het sluitergordijn dichtgaat.
Hiermee krijg je lichtstrepen achter een bewegende lichtbron, bijvoorbeeld van een auto met de lichten aan.
Voorbeelden van flitsen op het 2de gordijn kun je bekijken via google.com
Portret
Je doel is om de fysieke gelijkenis van een persoon vast te leggen. Over het algemeen ligt de focus van een portretfoto op het gezicht.
Doorgaans hebben portretten de neiging om een uitdrukking, de persoonlijkheid en sfeer in een foto te laten zien.
Daarbij zijn de compositie, techniek, locatie, licht, eventueel het verhaal en het moment belangrijke elementen voor het maken van een portret.
Lens
Een fijne lens om mee te fotograferen met een APS-C camera is de 35mm of 50mm lens. Bij een full-frame camera is dit de 50mm of 85mm lens.
Controleer of er genoeg scherpte op de ogen zit wanneer je een diafragma gebruikt van f/2.8 of lager.
Licht
Wanneer je buiten gaat fotograferen, kies dan een goed tijdstip. Bijvoorbeeld vroeg in de ochtend, laat in de middag of vlak voor zonsondergang.
Het licht is dan zachter. Midden op de dag, wanneer de zon schijnt, krijg je betere resultaten wanneer de persoon in de schaduw staat.
Positie
Controleer of het licht, de achtergrond en de houding / pose goed zijn voordat je begint met fotograferen.
Meestal komt er tijdens het fotograferen vanzelf een verandering in iemands lichaamshouding en gezichtsuitdrukking.
Een beetje sturen door aanwijzingen te geven kan geen kwaad.
De persoon hoeft niet te glimlachen om een portret succesvol te laten zijn.
Locatie
Bij portretfotografie moet je niet alleen de persoon in de gaten houden, maar ook de voor- en achtergrond.
Storende objecten in de achtergrond kunnen ongewenst te veel aandacht vragen.
Door met een diafragma te fotograferen zoals f/2.8 of f/4 maak je de achtergrond minder belangrijk en gaat de meeste aandacht naar de persoon.
Het kan zijn dat de achtergrond of omgeving van wezenlijk belang is om te laten zien, omdat dit meer inhoud geeft aan het verhaal dat je wilt vertellen.
In dat geval gebruik je een diafragma f/8 of f/11 of hoger en/of een groothoeklens.
Website en werk
Je website is een belangrijk visitekaartje. Het laat zien wat je kan en wat je graag wilt fotograferen.
Daarmee is nog niet gezegd dat je er ook geld mee kan verdienen.
In de praktijk zoeken de meeste opdrachtgevers een fotograaf die het beste past bij één bepaalde foto-opdracht.
Het is aan jou om uit te zoeken welke opdrachtgevers geïnteresseerd kunnen zijn om je in te zetten voor een fotoklus.
Wanneer je wordt uitgenodigd, vergeet dan niet je laptop mee te nemen om je website te laten zien. Dat praat makkelijker.
Bij fotografie in opdracht krijg je informatie van de redactie van een tijdschrift of dergelijke.
Je krijgt onder andere gegevens voor het maken van een afspraak. Ook krijg je te horen wanneer je de foto´s moet aanleveren.
De locatie van fotograferen gaat doorgaans in overleg met de redactie, fotograaf en de persoon die gefotografeerd moet worden.
Nadat je de foto´s met WeTransfer hebt verstuurd, mail je de redactie een factuur.
Het is belangrijk dat je contact onderhoudt met bevriende zzp´ers zoals fotografen, ontwerpers, etc.
Reacties op je fotografie, antwoorden krijgen op technische vragen of zakelijke onzekerheden bespreken is belangrijk voor je ontwikkeling.
Bevriende zzp´ers kunnen je wellicht ook verder helpen bij het vinden van een betaalde foto-opdracht.
Je kan overwegen om je aan te sluiten bij een businessclub. Een businessclub kan je ondersteunen bij het ontwikkelen van zakelijke activiteiten.
Handleidingen
In grote lijnen geeft elk display hetzelfde weer. Indeling, symbolen en benamingen verschillen per merk en/of type camera.
Begrijp je de symbolen en benamingen van je eigen camera niet, raadpleeg dan je camera handleiding.
Als je handleiding zoek is, kun je die downloaden via
handleidingkwijt.com
Camera kopen
DPReview
Keuzehulp bij het kopen van een camera.
Voor meer informatie, ga naar dpreview.com
DXOMARK
Lijst met de beste beeldsensoren volgens DXOMARK. Voor meer informatie, ga naar
dxomark.com
Downloads
Tarievenlijst
De hierin genoemde tarieven kunnen dienen als uitgangspunt voor fotografen opzoek naar een reële prijs per foto. Voor meer informatie, ga naar
dupho.nl
Portretrecht
De Auteurswet beschermt de privacy van geportretteerde personen.
Voor publicatie van een in opdracht gemaakt portret is altijd toestemming nodig van de geportretteerde. Voor meer informatie, ga naar
dupho.nl
Verklaring portretrecht
Download hier de verklaring van portretrecht. Download portretrecht.docx
Inspiratie
600 fotografen met verschillende stijlen, onderwerpen en technieken. Ga voor het fotowerk van nationale en internationale fotografen naar
pinterest.com/renefokkink
Tarieven
Tarieven volgens FotoAnoniem, 2015. Download tarievenFA2015.pdf
Tarieven
Tarieven volgens Fotografen Federatie, 2002. Download tarievenFF2002.pdf
Opleidingen
Opleiding fotografie volgen?
ArtEZ Academie voor Art & Design in Enschede.
De Nederlandse Fotovakschool in Amsterdam, Apeldoorn, Eindhoven en Rotterdam.
FotoAcademie in Amsterdam.
Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam.
HKU Hogeschool voor de Kunsten Utrecht in Utrecht.
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.
ROC in 10 steden.
St. Joost School of Art & Design in Breda.
Begrippenlijst
A
AE lock
Auto-exposure lock. Een mogelijkheid van een camera om tijdelijk de belichting vast te zetten.
A-sferisch
Een A-sferisch objectief heeft lenzen die het binnenkomende licht anders breken dan een normale lens.
Een normale lens is bol. Een A-sferische lens heeft een afwijkende vorm. Hiermee kunnen bepaalde fouten beter gecorrigeerd worden.
APS-C camera
APS-C staat voor Advanced Photo System type-C. Het verschil met een full-frame camera is het formaat van de sensor.
Een APS-C camera heeft ongeveer een 1,5x kleinere sensor dan een full-frame camera.
Artefact
Een artefact is een een afwijking in het beeld, veroorzaakt door de lens, sensor, software in de camera of het fotobewerkingsprogramma.
Aspect ratio
Engelstalig woord voor beeldverhouding.
Auto-bracketing
De mogelijkheid om twee tot drie beelden automatisch achter elkaar te nemen met verschillende belichtingen.
B
B-instelling
Bulb. Instelling van de sluitertijdenknop, waarbij de sluiter open blijft staan zolang de ontspanknop blijft ingedrukt.
Back button focus
Back button focus is een knop om scherp te stellen zonder de ontspanknop te gebruiken.
Bij back button focus wordt de AF-ON knop aan de achterkant van de camera gebruikt om scherp te stellen.
Banding
Banding is een vorm van een patroon waarbij er bolvormige, horizontale lijnen ontstaan tussen de kleurgradaties.
Beeldstabilisatie
Een systeem dat ervoor zorgt dat beweging van de camera gecompenseerd wordt.
Beeldverhouding
Beeldverhouding, of aspect ratio, is de verhouding tussen de breedte en hoogte van een foto, zoals 4:3 en 16:9.
Beeldvlak
Het beeldvlak is de ruimte waarin beeldelementen worden geplaatst en de begrenzing ervan.
Belichtingstrap
Je maakt meerdere extra opnamen, die boven of onder de gemeten lichtwaarde liggen. Meestal zijn dit 1/3 of 1/2 stops meer of minder dan de gemeten belichtingstijd.
Bokeh
Door te fotograferen met weinig scherptediepte, ontstaat er een onscherpe wazige achtergrond. Deze onscherpte wordt beoordeeld als bokeh.
Bouncecard
Een hulpmiddel op de reportageflitser om, wanneer je omhoog flitst, toch licht naar voren te krijgen.
Bracketing
Een opnametechniek waarbij meerdere opnames gemaakt worden die qua belichting allemaal iets verschillend zijn.
Burst
Wanneer een camera opnames blijft maken zolang je de ontspanknop indrukt.
C
Chimping
De term chimping wordt gegeven aan fotografen die na het maken van een foto onmiddellijk naar hun camerascherm kijken.
Chromatische aberratie
Lensfout waarbij het licht van verschillende golflengten niet op dezelfde plaats terecht komen.
CF
Compact Flash. Samen met SD de meest voorkomende geheugenkaarten. Compact Flash heeft een relatief grote afmeting.
De kaart heeft een harde behuizing en geen uitwendige contactpunten waardoor het een vrij robuust type geheugenkaart is.
Cloudopslag
Het bewaren van foto´s in de cloud betekent dat de foto´s online opgeslagen worden.
Color fringing
Color fringing zijn kleine randjes met een kleur. Vaak paars of groen. Deze ontstaan door chromatische abberatie of door blooming.
Contrastomvang
Het verschil in helderheid van donker naar licht.
Croppen
Als we het hebben over het croppen van een foto, bedoelen we dat de foto wordt bijgesneden.
D
Diafragmeren
Verkleinen van de diafragma-opening door een hoger f-getal in te stellen. Hierdoor wordt minder licht doorgelaten. De scherptediepte wordt vergroot.
Dichtgelopen zwart
Clipping in het Engels. Delen van een foto zijn zo donker dat ze geen doortekening meer hebben.
DNG
Digital Negative. Een bestandsformaat van Adobe. Adobe probeert de RAW-bestanden te standaardiseren en heeft daarom Digitaal Negatief bedacht.
Doortekening
Met de doortekening wordt vaak bedoeld dat er nog details te zien is in een bepaald gebied.
DPI
Dots per inch is een eenheid van de resolutie.
Double exposure
Twee verschillende foto´s combineren tot énén foto.
Dynamisch bereik
Met het dynamisch bereik wordt het contrastverschil bedoeld.
E
EXIF
EXIF data is informatie over je foto. Deze informatie wordt opgeslagen in het JPG- of RAW-bestand van je foto.
De verzameling van deze EXIF gegevens noemen we metagegevens.
F
F-getal
Een schaal van getallen die de grootte van het diafragma aangegeven, zoals f2.8, f4 of f5.6.
Firmware
Het besturingssysteem van de camera.
Fisheye
Objectief met een beeldhoek van 180º.
Fixfocus
Een camera waarop de scherpte-afstand niet instelbaar is.
Flare
Een flare is een lichtweerkaatsing in de lens die vlekken, strepen of cirkels in een foto geeft.
Flitssynchronisatie
De juiste sluitersnelheid die synchroniseert met de flitser.
Four Thirds-sensor
Een beeldsensor met de afmetingen 13,5 bij 18 mm.
Full-frame camera
De sensor in een full-frame camera is hetzelfde formaat als een analoge 35mm filmrolletje.
Het voordeel van een grotere beeldsensor is dat de beeldkwaliteit, met name bij hoge ISO-waarden.
G
Gevoeligheid
De gevoeligheid of ISO bepaalt hoe lang een beeldsensor moet worden belicht om een correcte belichting te krijgen.
Hoe hoger de gevoeligheid van de sensor, hoe minder lang de sensor moet worden belicht.
H
Hard licht
Door het onderwerp in de volle zon te fotograferen krijg je hard licht en daarmee ook harde schaduwpartijen.
High-key
Een foto die grotendeels uit lichte tinten bestaat.
Hipshot
Niet door de zoeker kijken, maar de camera vanaf heuphoogte gebruiken.
Histogram
Een histogram is een grafische weergave van de verdeling van helderheid in een foto.
Je gebruikt het om de belichting te beoordelen en eventuele over- of onderbelichting te herkennen.
Hoofdlicht
Voornaamste lichtbron in een studio-opstelling.
I
Indirect flitsen
Verstrooiing van flitslicht door een reflecterend oppervlak. Bijvoorbeeld via het plafond of een muur.
Instellicht
Continu brandende lamp bij studioflitsers. Dit geeft de mogelijkheid om te zien hoe het licht valt.
Invulflits
Het toevoegen van licht aan schaduwpartijen om het contrast van een foto te verminderen.
ISO
Industry Standard Optics. ISO wordt gebruikt als aanduiding voor film- of sensorgevoeligheid.
K
Kleurenfilters
Bij zwart-wit fotografie versterken de kleurenfilters het contrast.
Kleurzweem
Overheersende kleur of sluier over de foto. Een kleurzweem kan het gevolg zijn van een verkeerd ingestelde witbalans.
L
Lens compressie
Lens compressie bij telelenzen zorgt ervoor dat onderwerpen dichter bij elkaar lijken te staan dan in werkelijkheid het geval is.
Lens flare
Licht dat rechtstreeks van een lichtbron, zoals de zon, in het objectief schijnt en gaat reflecteren tussen de verschillende lenselementen.
Deze interne reflectie in het objectief kan ervoor zorgen dat er strepen of cirkels ontstaan.
Lichtsterk objectief
We noemen een objectief lichtsterk als er een voor grote diafragma-opening gekozen kan worden, zoals f/1.4 of f/2.8.
Live View
Het systeem waarbij je op een camerascherm het onderwerp in beeld ziet.
Low-key
Een foto waarvan het grootste gedeelte uit donkere tinten bestaat
M
Meetrekken
Ook wel Panning. Je trekt de camera mee met de beweging. Hierdoor is het onderwerp scherp, maar de achtergrond niet.
Megapixels
Eén megapixel verwijst naar één miljoen pixels op de sensor van de camera.
Middengrijs
Gemiddeld helderheidsniveau tussen hoge lichten en schaduwpartijen.
O
Onderbelichting
Wanneer het onderwerp op de foto te donker is, spreken we van onderbelichting.
Opvallend lichtmeting
Meting van het licht dat het voorwerp verlicht. Dit opvallend licht meet je met een losse lichtmeter.
Overbelichting
Te veel licht, door een te lange sluitertijd of een te groot diafragma.
Overstraling
Veroorzaakt door verstrooiing en reflectie.
P
Panning
Meebewegen met je onderwerp tijdens het fotograferen.
Dit meebewegen doe je om het onderwerp scherp te houden met een sluitertijd waarbij de achtergrond onscherp wordt.
Pixels
Pixels zijn de lichtgevoelige puntjes op de beeldsensor.
Pixelpeepen
Pixelpeepen is het inzoomen van een foto tot 100 procent, om vervolgens te kijken of de foto gelukt is.
Polarisatiefilter
Een filter dat reflecties van oppervlakken weghaalt en de kleurverzadiging verhoogt.
Prime lens
Lenzen met een vaste brandpuntafstand.
Purple fringing
Een lensfout die ook wel chromatische aberratie of kleurschifting wordt genoemd. Te herkennen aan paarse of groene randen bij onderwerpen op je foto.
R
RAW
Een RAW-bestand bevat de ruwe informatie die de beeldsensor heeft vastgelegd. RAW-bestanden moet je nabewerken met een fotobewerkingsprogramma.
Reflectiescherm
Een scherm om licht terug te laten kaatsen.
RGB
RGB is een kleursysteem waarbij de kleuren gevormd worden door het mengen van Rood, Groen en Blauw.
Reportageflitser
Een reportageflitser is een draagbare flitser die wordt gebruikt om licht toe te voegen tijdens het fotograferen.
Het kan worden bevestigd op de camera of op afstand worden bediend.
Resolutie
De resolutie staat in principe voor het aantal pixels (beeldpunten) op je beeldscherm.
De term resolutie wordt gebruikt om het aantal pixels van een fotobestand aan te geven. Hoe hoger de resolutie, hoe meer detail er zichtbaar kan zijn in een foto.
Richtgetal
Het richtgetal van een flitser bepaald de lichtopbrengst.
Ruis
Ongewenste storingen in een beeld. Ruis is zichtbaar als puntjes van een andere kleur, meestal rood of groen.
Ruis treedt vaak op bij lange sluitertijden en/of hoge ISO-waarden.
S
Scheidend vermogen
Resolutie van objectief of film.
Sluiter
De sluiter zorgt ervoor dat er geen licht op de sensor of analoge film kan vallen.
Op het moment dat de ontspanknop ingedrukt wordt, opent zich de sluiter voor een belichting.
Sluitersnelheid
Duur van de belichting weergegeven in fracties van seconden.
Spotmeting
Het meten van een zeer klein oppervlak van licht. Meestal is dat 1º in het midden van het totale beeld.
Stop
Jargon om de verschillende waarden van diafragma, sluitertijd en ISO met elkaar te kunnen vergelijken.
Synchronisatietijd
De sluitertijd op de camera waarbij geflitst kan worden.
T
Tethered
De camera is met een kabel verbonden aan een computer. Elke foto die met je maakt wordt meteen weergegeven op het beeldscherm.
TFP
Time for Prints. Wanneer fotograaf en model samen werken met foto´s als betaalmiddel.
TIFF
Een bestandsformaat voor afbeeldingen.
Tonvormige vertekening
Fout van de lens waarbij het beeld tonvormig wordt.
Tussenring
Een ring die tussen het objectief en de camera wordt gezet voor macrofotografie. Het is een betaalbaar alternatief voor een macrolens.
U
Urbex
De benaming van fotografen die zich bezighouden met het fotograferen van oude, leegstaande en/of vervallen gebouwen.
UV-filter
Een filter wat UV-licht, een blauwkleurige zweem, tegenhoudt.
V
Verscherpen
Verscherpen is een fotobewerkingsproces waarbij de contouren van objecten in een foto worden versterkt om de scherpte te verbeteren.
Vertekening
Tonvormige vertekening zie je vaak bij groothoeklenzen en kussenvormige vertekening bij telelenzen.
Vignettering
Wanneer het licht in de hoeken meer of minder is dan in het midden van de foto.
W
Witbalans
De witbalans bepaalt de kleurtemperatuur van de foto en wordt uitgedrukt in Kelvin.
Een juiste witbalans zorgt ervoor dat de kleuren op de foto er net zo uitzien als in het echt.
Z
Zelfontspanner
De zelfontspanner op een camera maakt een vertraging van een aantal seconden tussen het indrukken van de knop en het maken van de foto.
Ideaal om trillingen bij lange sluitertijden te voorkomen.
Film ontwikkelen
Handleiding voor cursisten fotografie. Concordia Kunst & Cultuur, Enschede, 2000-2007.
Film ontwikkelen, printen en het maken van fotogrammen in de donkere kamer.
Film ontwikkelen bij aangepaste ISO-waarden.
Agfapan APX 25
Belicht als ISO 16. Ontwikkelaar Rodinal. 1 + 25. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 21°C.
Agfapan APX 25
Belicht als ISO 12. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 7 min. bij 21°C.
Agfapan APX 100
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar Atomal. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 11 min. bij 21°C.
Agfapan APX 100
Belicht als ISO 80. Ontwikkelaar Refinal. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 9 min. bij 21°C.
Fuji Neopan 400
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar T-max. 1 + 9. Ontwikkeltijd is 7 min. bij 21°C.
Ilford FP4 Plus 125
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 9 min. bij 21°C.
Ilford HP5 Plus 400
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 9 min. bij 21°C.
Ilford 100 Delta
Belicht als ISO 50. Ontwikkelaar T-max. 1 + 4. Ontwikkeltijd is 5 min. bij 21°C.
Ilford 400 Delta
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 8 min. bij 21°C.
Kodak Tpan
Belicht als ISO 25. Ontwikkelaar Rodinal. 1 + 100. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 21°C.
Kodak T-max 100
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar T-max. 1 + 4. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 24°C.
Kodak T-max 100
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 12 min. bij 21°C.
Kodak T-max 400
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar T-max. 1 + 4. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 24°C.
De effectieve gevoeligheid ligt vaak lager dan de gevoeligheid die door de fabrikant wordt aangegeven.
Dit komt doordat het objectief, de belichting en ontwikkelchemicaliën invloed hebben op de gevoeligheid van een film.
Wanneer er weinig doortekening in de schaduwpartijen zit, kun je de effectieve filmgevoeligheid verlagen van bijvoorbeeld ISO 400 naar ISO 250.
Verdunning, tijd en temperatuur voor het ontwikkelen van een film staan op de verpakking van de ontwikkelaar.
Meer informatie over ontwikkeltijden van films kun je vinden via digitaltruth.com
Bewaar je films in de originele afgesloten verpakking in de koelkast. Bij oude / overjarige films neemt de gevoeligheid en het contrast langzaam af.
Overbelichten, 1 tot 2 stops, en langer ontwikkelen, +/- 15%, kan helpen om de lagere gevoeligheid en het contrast een beetje te compenseren.
Nieuw filmrolletje kopen? Voor nieuwe filmrolletjes, ga naar google.com
Voorbereiding
Zorg dat de donkere kamer en de spullen die je gebruikt schoon en stofvrij zijn.
Oefen bij daglicht met een filmrolletje om te kijken hoe het proces van het opspoelen gaat. Hiervoor gebruik je een Paterson spiraal voor de ontwikkeltank.
Voor de filmontwikkeling gebruik je maatbekers in verschillende formaten, trechters, thermometer,
kunststof roerstaven, film-catridge-opener, Paterson ontwikkeltank, Paterson spoelslang, filmafstrijktang en clips om de film op te hangen in de droogkast.
Water
Breng kraanwater op een temperatuur die gelijk is aan de ontwikkeltemperatuur. Dit is meestal 20°C of 21°C.
Vul de tank met dit water en laat het 1 minuut in de tank. Vervolgens giet je het water uit de ontwikkeltank.
Dit helpt het ontwikkelproces van de film, omdat de juiste temperatuur dan al is overgebracht op de ontwikkeltank.
Ontwikkelen
Spoel het rolletje op. Plaats de spoel in de ontwikkeltank en sluit deze af. Voeg vervolgens de filmontwikkelaar toe.
Het kiepen / omdraaien van de ontwikkeltank moet continu, 60 seconden lang op een rustige manier.
Vervolgens 1 keer per 30 seconden. Halverwege het ontwikkelen tik je, niet te hard en niet te zacht, met de onderkant van de ontwikkeltank op tafel.
Hiermee zorg je ervoor dat eventuele luchtbelletjes op het filmrolletje eraf gaan.
De ontwikkeltijd is afhankelijk van de film en de ontwikkelaar.
Na het ontwikkelen van de film giet je de ontwikkelaar in een fles om de volgende film te ontwikkelen.
Stopbad
Het stopbad zorgt voor het stoppen van de ontwikkeling van een film.
Het stopbad (verdunning 1 + 9) moet ongeveer 30 seconden lang zijn. Het kiepen / omdraaien van de ontwikkeltank doe je 4 keer.
De temperatuur van het stopbad zoveel mogelijk gelijk houden aan de ontwikkeltemperatuur.
Fixeer
De fixeertijd van een film is ongeveer 3 tot 4 minuten. T-max en Neopan moeten 200% langer worden gefixeerd.
Probeer de temperatuur zoveel mogelijk gelijk te houden aan de ontwikkeltemperatuur van de film.
Het kiepen / omdraaien van de ontwikkeltank moet continu, 60 seconden lang op een rustige manier. Vervolgens 1 maal per 30 seconden.
Na het fixeren van de film giet je de fixeer in een fles voor hergebruik.
Spoelen
Het spoelen van een film moet minimaal 8 minuten duren bij een temperatuur van ongeveer 20°C.
Hiervoor gebruik je de Paterson spoelslang.
Voeg op het laatst een paar druppels Wetting Agent aan het water toe. Dit voorkomt droogvlekken op de negatieven.
De ontwikkeltank met daarin de Wetting Agent op een rustige manier 2 minuten lang kiepen / omdraaien.
Film met spoel uit de ontwikkeltank halen en onderdompelen in een bakje met Wetting Agent kan ook.
Vervolgens strijk je de film af met een filmafstrijktang.
Drogen
Drogen van de film kan in een negatieven-droogkast of in de douche, daar waar geen tot weinig stof is.
Droogtijd van je film in de douche is ongeveer 2 uur.
Cliptest
Wanneer het onzeker is welke filmgevoeligheid of sluitertijd er is gebruikt, maak je een cliptest.
Voor deze cliptest gebruik je het begin van een kleinbeeldfilm of het eind van een rolfilm. Na beoordeling verwerk je de film.
Pushen en Pullen
Een film van ISO 400 belichten als ISO 800. Dit is +1 stop. De ontwikkeltijd is langer. Dit noemen we pushen.
Een film van ISO 400 belichten als ISO 200. Dit is -1 stop. De ontwikkeltijd is korter. Dit noemen we pullen.
Negatieven controleren
Wanneer de negatieven droog zijn, knip je ze in stroken. Elke strook heeft 6 negatieven. Stop de negatieven in volledig transparante negatiefbladen.
Voor het uitzoeken van je negatieven maak je gebruik van een lichtbak en een loep om onder andere de scherpte te controleren.
Na het maken van een contactafdruk en het printen bewaar je de negatiefbladen in een ringmap of in een lege doos fotopapier.
Korrel
Hoe hoger de ISO-waarde van een filmrol, hoe meer korrel en daardoor minder detaillering / scherpte in de foto.
Bij mooi weer gebruik je een filmrolletje met lage gevoeligheid, bijvoorbeeld ISO 100. Deze filmrol heeft een fijne korrel.
Bij weinig licht gebruik je een filmrolletje met een hoge gevoeligheid, bijvoorbeeld een ISO 800 of ISO 1600. Dit soort filmrolletjes hebben een grove korrel.
In een film met een hoge ISO-waarde zitten grote lichtgevoelige zilverkristallen. Na het ontwikkelen van het filmrolletje wordt deze korrel zichtbaar.
Contactafdruk
Maak eerst een proefstrook, zodat je de belichtingstijd weet.
Leg een vel fotopapier (24 x 30) onder de vergroter. Op dit fotopapier leg je het negatiefblad met daarbovenop een schone, dunne glasplaat van hetzelfde formaat.
Vervolgens ga je belichten en ontwikkelen. De firma Paterson verkoopt een contact-printer waarmee je makkelijker contactafdrukken kan maken.
Voor het maken van een contactsheet gebruik je Ilford Multigrade-papier op gradatie 2. De belichtingstijd ligt tussen de 8 en de 12 seconden
bij een lensopening van f/8. De afstand van de vergroter tot het fotopapier is ongeveer 50 cm.
Voor meer informatie over Paterson producten, ga naar
patersonphotographic.com
Printen
Foto´s printen in de donkere kamer.
Voorbereiding
De donkere kamer en de spullen die je gebruikt zijn schoon en stofvrij.
Voor het printwerk gebruik je ontwikkelbakken met verschillende kleuren en afmetingen.
De kunststof ontwikkelbak voor de papierontwikkelaar is wit, het stopbad rood en voor het fixeren groen.
Thuis doet de kleur er niet toe. Gebruik dezelfde kleur voor hetzelfde procedé. Dit voorkomt eventuele vlekjes op je print.
Schrijf eventueel met een stift op de voor- en achterkant van de bak voor welk procedé je het gebruikt.
Maak na elke doka-sessie de bakken goed schoon.
Afhankelijk van het printformaat pak je een bak die het beste past. Niet te groot en niet te klein. Dit scheelt papierontwikkelaar.
Verder gebruik je een vergroter, timer, maatbekers, thermometers, kunststof roerstaven,
papiertangen, Paterson korrelzoeker, Meopta vergrotingsbord, schaalverwarmer, klok en een print-washer.
Vergroters
Een condensorvergroter heeft meestal twee lenzen tussen de lichtbron en het negatief.
Deze lenzen concentreren of focussen het licht van een gloeilamp en richten de lichtstralen recht door het negatief naar de lens.
Dit licht is vergelijkbaar met een puntlichtbron, zoals een spot of de zon, waarmee je scherpe afdrukken kan maken.
De korrelstructuur van het negatief en eventuele stof op het negatief worden hierdoor duidelijk zichtbaar.
Het contrast van Multigrade-papier kun je instellen met behulp van verschillende filters in de filterla van de vergroter of onder de lens met een filterhouder.
Bij een diffusorvergroter is het licht ongebundeld. Dit zijn meestal vergroters met een kleurkop waarmee je ook prima zwart-wit foto´s kan maken.
Voordeel van het gebruik van een diffusorvergroter is dat je achteraf minder hoeft te retoucheren.
Het contrast van Multigrade-papier kun je instellen met de kleuren yellow en/of magenta.
Bij koudlichtvergroters bestaat de lichtbron uit een fluorescentielamp die blauw licht geeft.
Informatie over koudlichtvergroters kun je vinden via beselerphoto.com
Korrelzoeker
Voordat je fotopapier gaat belichten moet je eerst de vergroter scherpstellen. Dit doe je met een korrelzoeker, waarbij je de vergroter scherpstelt op de korrel van het negatief.
Meer informatie over korrelzoekers kun je vinden via google.com
Wanneer er stofjes op je negatief zitten, gebruik je een blaasbalgje om deze te verwijderen.
Proefstroken
Proefstroken maken doe je volgens het principe 2 seconden + 2 seconden + 2 seconden + 2 seconden.
1. Knip of snij stroken papier gradatie 2.
2. Zet de lens van de vergroter op diafragma f/8.
3. Dek je proefstrook voor 1/4 gedeelte af en maak een belichting van 2 seconden.
4. Dek je proefstrook nu voor 1/2 af en maak opnieuw een belichting van 2 seconden.
5. Dek je proefstrook nu voor 3/4 af en maak opnieuw een belichting van 2 seconden.
6. Niets afdekken en maak opnieuw een belichting van 2 seconden.
Het eerste gedeelte van de proefstrook is nu in totaal 8 seconden belicht en daarmee ook het meest donkere gedeelte van de proefstrook.
Zie je nauwelijks verschil tussen elke stap, dan neem je 4 stappen van elk 4 seconden of 8 seconden. Voor het maken van een proefstrook gebruik je papier gradatie 2.
Als de belichting goed is, maar de schaduwen te licht, dan gebruik je papier gradatie 3. Vervolgens maak je een nieuwe proefstrook.
Proefstroken beoordelen doe je altijd bij daglicht. Maak gebruik van een zwart kartonnetje (20x25) om het licht uit de vergroter tegen te houden.
Ontwikkelen
Ontwikkelaar moet 21°C zijn om goed te kunnen werken. Bij lagere temperaturen reageren de verschillende chemicaliën in de ontwikkelaar niet goed.
Maak gebruik van een schaalverwarmer zodat de ontwikkelaar op temperatuur blijft.
Ontwikkeltijd van fotopapier is ongeveer 60 seconden bij een rustige beweging van de ontwikkelbak.
De ontwikkelaar bepaalt ook een klein beetje de gradatie en de maximale zwarting. Er zijn papierontwikkelaars die een tint aan de foto geven.
Warmtoon ontwikkelaars zijn Adox Neutol WA of Amaloco AM 1001.
Neutraal- tot koudtoon ontwikkelaars zijn Adox Neutol NE, Tetenal Eukobrom, Ilford Ilfospeed of Kodak Dektol.
Bij fotopapier met een variabele gradatie zoals Ilford Multigrade, gebruik je verschillende gradatiefilters.
De filters leg je in de filterla boven de condensor van een vergroter of onder de lens met een speciale filterhouder.
Wanneer je werkt met een kleurvergroter, pas je de filterinstellingen, yellow en/of magenta, aan. Probeer met fotopapier gradatie 2 te werken.
Er zijn verschillende gradatiefilters die je kan gebruiken om minder of meer contrast in je foto te krijgen.
Je kan gebruikmaken van filternummers 00, 0, ½, 1, 1½, 2, 2½, 3, 3½, 4, 4½ en 5, waarbij filter 00 een zeer laag contrast geeft
en 5 een hoog contrast.
Informatie over gradatiefilters kun je downloaden (.pdf) via ilford.com
Informatie over fotochemicaliën kun je vinden via google.com
Informatie over fotopapier van Ilford kun je vinden via google.com
Doordrukken en tegenhouden
Doordrukken is de techniek waarbij je twee handen gebruikt. Je legt je handen over elkaar en maakt tussen beide handen een kleine, ronde opening.
Je handen houd je dicht bij de lens van de vergroter. Op deze manier kun je een gedeelte van het papier meer licht geven en de rest van het licht tegenhouden.
Makkelijker in gebruik zijn zwarte kartonnetjes met verschillende afmetingen en ronde openingen.
Het papier krijgt, daar waar je doordrukt, meer licht en dus meer doortekening.
Tegenhouden is de techniek waarbij je één of twee handen kan gebruiken om het licht uit de vergroter tegen te houden.
Voor het fijne werk, bijvoorbeeld een gezicht lichter maken, gebruik je een afhoudertje / vlaggetje om het licht uit de
vergroter tegen te houden. Dit afhoudertje / vlaggetje bestaat uit een dun stukje ijzerdraad met aan het uiteinde een rond zwart kartonnetje.
Wanneer je veel moet tegenhouden en/of doordrukken, is het verstandig om de belichtingstijd bij het printen te verlengen.
Dit doe je door het diafragma op de lens met -1 stop aan te passen. Dit betekent dat het diafragma op de lens van bijvoorbeeld f/8 naar f/11 gaat.
Hiermee wordt de belichtingstijd bij het printen verdubbeld.
Flashing
Contrastregeling is belangrijk voor het maken van zeer fijne zwart-wit foto´s.
Hiervoor maak je gebruik van wit licht om het papier voor of na te flashen om zo het contrast te finetunen.
Pre-flash is de techniek die je kan gebruiken om meer doortekening in de helderste delen van de foto te krijgen.
Voor meer informatie, ga naar rhdesigns.co.uk
Stopbad
Amaloco S10 heeft als voordeel dat het praktisch reukloos is en een indicator voor houdbaarheid heeft.
De temperatuur van het stopbad moet ongeveer 21°C zijn. Het fotopapier moet minimaal 60 seconden in het stopbad liggen.
Fixeren
Omdat de fixeer het PE-papier niet bereikt, is de keuze voor een bepaalde soort fixeer niet echt van belang.
De temperatuur van de fixeer moet ongeveer 21°C zijn.
De Fixeertijd is minimaal 2 minuten, bij een rustige beweging van de bak of minimaal 5 minuten bij geen beweging van de bak.
Barietpapier moet tussen de 5 en 10 minuten fixeren, bij een rustige beweging van de bak.
Spoelen
Temperatuur van het water moet ongeveer 21°C zijn.
Spoeltijd voor PE-papier is ongeveer 15 minuten in stromend water. Bij een temperatuur onder de 15°C moet het PE-papier langer spoelen.
Barietpapier moet minimaal 45 minuten spoelen bij een temperatuur van ongeveer 16°C.
Drogen
Drogen kan met een wasknijper aan de drooglijn, met een haardroger of droogapparaat.
Een droogapparaat mag niet boven de 50°C staan ingesteld. Anders smelt het kunststof.
Warm en snel drogen met een droogapparaat geeft de foto meer glans.
Na het drogen ligt het kunststofpapier mooi vlak en heeft het een glanzend of zijdematte oppervlakte.
Printen op barietpapier
Barietpapier is langer houdbaar dan PE-papier (polyethyleen). Barietpapier moet minimaal 45 minuten gespoeld worden bij een minimale temperatuur van 16°C.
Het drogen van barietpapier moet aan de lucht en met zuurvrij tape op een glasplaat geplakt worden. De emulsielaag moet naar boven.
Door het drogen krimpen de vezels 0,5% tot 1,5%. Barietpapier kun je meer glans geven door gebruik te maken van een glanspers.
Het papier moet dan met de emulsielaag naar beneden, op een glansplaat of een gepolijste glasplaat, worden gedroogd bij een temperatuur van 90°C.
Beoordelen
Het beoordelen van je gemaakte print doe je bij daglicht.
Retoucheren
Voor het retoucheren van foto´s gebruik je Spotone inkt in verschillende tonen, zoals warm, neutraal en koud.
Meestal gebruik je de neutrale tint nummer 3 van Spotone.
Gebruik een stukje fotopapier (proefstrookje) waarop je een druppel Spotone aanbrengt. Deze laat je een beetje opdrogen.
Naast de inkt breng je met een pipet of een schoon penseeltje een druppel gedestilleerd water aan. Hiermee verdun je de sterkte / kleurverzadiging van de inkt.
Het is verstandiger om voorzichtig te stippen met een tint die iets te licht is dan te donker.
Voor het aanbrengen van kleine stipjes op de foto gebruik je een fijn puntpenseel van kwaliteit in de maten 0 of 00.
Bij PE-papier trekt de inkt niet in het papier (kunststof). Bij barietpapier trekt de inkt wel in het papier.
Gebruik bij het retoucheren witte, katoenen handschoentjes om eventuele vingervlekken op de print te voorkomen.

Fotogram
Fotogrammen maken in de donkere kamer.
Inleiding
In de donkere kamer leg je één of meerdere objecten op een vel onbelicht fotopapier.
Je kan het licht uit de vergroter gebruiken, van een lamp of zaklantaarn.
Na het belichten en ontwikkelen van het fotopapier zullen de objecten deels als contouren worden weergegeven
met witte tonen en/of grijstonen tegen een donkere achtergrond.
Fotogrammen zijn bekend geworden door fotograaf en kunstenaar Man Ray.
Hij noemde zijn fotogrammen Rayographs.
Het fotowerk van Man Ray kun je bekijken via google.com
Voorbeelden van fotogrammen kun je bekijken via google.com
Voorbereiding
Zorg dat de donkere kamer en de spullen die je gebruikt schoon en stofvrij zijn.
Voor het printwerk gebruik je kunststof ontwikkelbakken van verschillende afmetingen en kleuren.
De kunststof ontwikkelbak voor de papierontwikkelaar is wit. Voor het stopbad is de bak rood en voor het fixeren groen.
Thuis doet de kleur er niet toe. Gebruik dezelfde kleur voor hetzelfde procedé. Dit voorkomt eventuele vlekjes op je print.
Schrijf eventueel met een stift op de voor- en achterkant van de bak voor welk procedé je het gebruikt.
Maak na elke doka-sessie de bakken goed schoon.
Afhankelijk van het printformaat pak je een bak die het beste past. Niet te groot en niet te klein. Dit scheelt papierontwikkelaar.
Verder gebruik je maatbekers, thermometers, roerstaven om de fotochemicaliën met water te mengen, papiertangen (voor elke bak één),
een schaalverwarmer zodat de papierontwikkelaar op temperatuur blijft, een klok om de ontwikkeltijd in de gaten te houden en een print-washer.
Aan de slag
1. Maak de baden met fotochemicaliën aan.
2. Leg een vel fotopapier onder de vergroter.
3. Leg op dit vel fotopapier één of meerdere objecten.
4. Belicht ongeveer 2 seconden met het licht uit de vergroter.
5. Haal de objecten van het fotopapier.
6. Verwerk het fotopapier.
7. Beoordeel bij daglicht.


© 2001-2026 Rene Fokkink | Enschede
